|
De Museumtuin De Museumtuin maakt deel uit van het domein Gaasbeek. Bezoek is alleen mogelijk in groep en na afspraak bij Bos & Groen, Waaistraat 1 3000 Leuven, tel.: 016/21.12.20. De Museumtuin in Gaasbeek is in 1996-97 speciaal als 'museum' aangelegd. De tuin 'voor nut en sier' geeft een beeld van wat Vlaamse hoveniers en fruittelers presteerden tussen 1860 en 1940, een periode waarin ze tot de wereldtop behoorden. De Museumtuin toont groenten, kruiden, bloemen, heesters en bomen die omstreeks 1900 in alle grote tuinen te vinden waren. De hoveniers gebruiken in principe ook de methodes die gangbaar waren in het begin van de twintigste eeuw, toen chemicaliën en mechanisatie de land- en tuinbouw nog niet grondig veranderd hadden. Het hoogtepunt van de tuin is de verzameling leifruitbomen, op dit ogenblik waarschijnlijk de grootste en volledigste ter wereld. Microklimaat De museumtuin (1,5 ha) bestaat uit vier grote afdelingen. Hij is omgeven door muren in veldovensteen en heggen van Haagbeuk. De binnenkant van de muren is wit geschilderd om een maximum aan licht en warmte in de tuin te laten stralen. In de tuin heerst daardoor een eigen, gunstig microklimaat. De vier afdelingen zijn: 1. Een siertuin met oranjerie, aangelegd in een 'Italiaanse' sfeer, passend bij de stijl van de restauratie die het kasteel in de negentiende eeuw onderging. 2. Een moestuin, waar de gewassen groeien in vier vierkante percelen. Verder zijn er nog een warme serre, koude bakken en perken met kruiden en bloemen. In de centrale gang is ruimte voor laagstambomen en bloemen. 3. Een fruittuin met bessen, divers kleinfruit en noten. In de bessentuin vormen leiperen en klimmende bloemen een kruisvormige loofgang. Er is ook een ruimte voorzien voor een collectie hydrangea's. 4. Een boomgaard met een collectie pruimen op halfstam. Leifruit Tegen alle muren groeit leifruit in zo goed als alle gekende vormen. De Museumtuin haalde de kunst van de lei fruitteelt uit de vergetelheid met vormen van Abrikoos, Nectarine, Perzik, Pruim, Peer, Appel, Kweepeer, Zoete Kers, Kriek en allerlei bessen. De leifruitteelt was voor onze voorouders niet alleen een kunst, maar ook een economisch aantrekkelijke techniek. Fruitbomen in leivorm hebben weinig ruimte nodig: een strook van nog geen halve meter breed tegen een muur volstaat. Ze kunnen daarnaast tot hagen worden gevormd, wat ook ruimtebesparend werkt. Leibomen brengen meer en betere vruchten voort dan gewone bomen. Door hun speciale snoei gaat de meeste energie naar vruchtvorming en niet naar overtollige takken of overbodig groen. Zelfs op de sterkte van de stam kan 'gespaard' worden, want een muur of steundraden houden de bomen overeind. Leifruit rijpt aan 'open' bomen, waardoor de vruchten meer zonnelicht krijgen dan fruit aan gewone bomen. Een leiboom tegen een muur, al dan niet onder een afdakje, is beschermd tegen de koude en geniet optimaal van de in de stenen opgeslagen zonnewarmte. Daardoor produceert hij grotere en mooiere vruchten die sneller rijpen en beter bestand zijn tegen ziekten. De leivormen zijn niet alleen efficiënt, maar ook mooi. Sommige fruittelers kweekten fantasievormen die hun tui- nen en boomgaarden op levend kantwerk deden lijken. Pruimen Een collectie pruimen op halfstam maakt deel uit van de museumtuin. Op termijn zal deze verzameling bestaan uit de 74 variëteiten die een eeuw gele- den voorkwamen in onze streken. Pruimen waren eeuwenlang gegeerd omdat ze veel zoetstof bevatten. Ook na de invoering van de suikerbiet bleven de vruchten populair. Boerkozen, groenteboeren die hun eigen producten in Brussel verkochten, konden er een flinke stuiver mee verdienen. Groente De basiscollectie van groente voor de moestuin bestaat uit: aardappelen; vruchtgewassen: tomaat, pompoen, paprika, zoete maïs, courgette, aubergine, augurk en meloen; koolgewassen: variëteiten van rode, witte, savooi- en spruitkool, bloemkool, koolraap, koolrabi, broccoli, Chinese, zee- en boerenkool; peulgewassen: erwten en alle boonsoorten; wortelgewassen: witloof, selder, biet, schorseneer, rammenas, wortelen, rapen, radijs, ajuin, sjalot, pastinaak, prei; bladgewassen: sla, andijvie, spinazie, veldsla, selder, steeksla, kervel, postelein en warmoes. Als vaste gewassen treft men aan: Aardbei, asperge, artisjok, aardpeer, rabarber, zurkel en Japanse andoorn. De variëteit aan groenten in één tuin was omstreeks 1900 groter dan vandaag, omdat de hovenier aan alle vragen uit de keuken moest kunnen voldoen zonder naar ingevoerde groenten of vruchten te kunnen grijpen. Daarom kweekte hij bijvoorbeeld én zoete ui én stoofui én scherpe ui én inmaakui én rode ui én zilverui enz.... De hovenier bezat ook een heel arsenaal aan hulpmiddelen om planten tegen slecht weer te beschermen en sneller te doen groeien. Soms volstonden simpele stromatten, soms gebruikte men speciale glazen klokken. Speciaal aardewerk diende dan weer om bijvoor- beeld selder te 'bleken'. In het donker wordt deze groente sappiger en mooi egaal van kleur. Kruiden De basiscollectie voor de kruidentuin bestaat uit: Basilicum, bieslook, bijvoet, bonenkruid, citroenkruid, dille, dragon. Engelwortel, lavendel, lievevrouwebedstro, marjolein, mierikswortel. Muntkruid, peterselie, rozemarijn, salie, tijm, venkel, waterkers. Bloemen Tussen de groenten bloeien bloemen. Per kwadraat vier percelen met: Dahlia's, reukerwten, gladiolen en tagetes. Knolbegonia's, papavers, reukerwten en dahlia's. Reudbeckia's, dahlia's, phioxen en zonnebloemen. Centauria en delphinium; anthirinium en nigelia; nicotiana en salvia; stro- en droogbloemen. Italiaanse sier en zwier De siertuin is opgebouwd uit perken in geometrische vormen, gevuld met gazon en eenjarige bloemen, omboord met Buxus. Snoeivormen van Gewone taxus versieren het geheel. De 'Italiaanse' sfeer verwijst naar markiezin Marie Arconati Visconti, die het kasteel en park van Gaasbeek in 1922 aan de Belgische staat schonk. In de oranjerie, tegen koude winden beschermd door baksteenmuren en dikke taxushagen, groeien exotische planten in grote bakken. Sierplanten en grote cactussen, maar ook fruitbomen zoals vijgen, limoenen, sinaasappelen. Deze planten overwinterden natuurlijk in een verwarmde serre in de tuin zelf of in een wintertuin bij het kasteel. De verhuizing van de volwassen planten met hun tonnen zware wortelkluiten was een eeuw geleden telkens weer een grote onderneming. |
|